Hoogtevrees in spectaculaire kleding


Ik vlieg nu al enige tijd in kruisende lijnen over een baai, niet eens zo heel ver van Honolulu. Dat was de toestand. Daar iets tegen inbrengen was op zich al beklagenswaardig geweest. Van hieruit zou ik uiteindelijk zijn gaan spreken. Vanuit een vliegtuig dat een web spint over een baai. Net om de hoek lag Honolulu. De ovalen vensters verdeelden onderling de baai, de zeespiegel, het half stedelijk, half vulkanisch gebied.
Ik hield mijn hand nog tegen mijn hoofd toen het vliegtuig nog een lijn over de baai trok en keerde. Ik bedacht me al kantelend dat de baai zich voor een cartograaf zomaar eens ideaal had gepositioneerd. Als die maar niet zo snel rotmisselijk zou worden! Enkele graden verschil en het leek of die verdeelde horizon – in twee maal acht delen – langs alle kanten van achter je rug tot over je nek heen glipte. Ze herhaalde dit onder toedoen van het kompas naar elk van de vier einden van de kaart. En vooraleer het vliegtuig van zin veranderde demonstreerde ze haar eerbied voor dit kompas door haar neus te tillen, een wijde bocht te maken en lichtjes te schudden. Niet dankzij het kompas maar vanwege mijn toestand kon ik zonder schroom zeggen dat ik wel vier maal te lijden had. Spiraalsgewijs wachten, het was een dans apart.

“De meest effectieve penitentie!...” zei ze. “(Vreemde verzoeking!...)” Lucy heette ze. Een Britse vrouw, wat blonde krullen en een neus, die stond er wel. Daar kwam je al een eind mee. (en wat een slikreflex!) Lucy stootte zich.
“Deze toestand zonder grond zou weleens het meest kruisigend kunnen zijn!...”
(...)
“Dat zoiets kan gebeuren tussen fatsoenlijke lieden als wij beiden zijn!...”
“Wie ben ik, dat gij mij op deze wijze behandelt en mij beledigt?”
“Wie van de handelaars van Telmoen heeft ooit zo gehandeld?”

Ze bleef me nog een tijd aankijken, schokkend van het vliegtuig. Ze glimlachte. Haar gebit was overvloedig geweest. Haar lach als een roos gevuld met sneeuw. Op haar wangen waren jonge boterbloemen, die de huid net onder haar ogen paars kleurden. “Een kleitablet”, zei ze. “En wel een hele oude. De eerste klachtenbrief.” Dan, tot haar nek in de aarde verstoken, verscheen dat gezicht van haar. Ze had het over haar voorgaande uitlatingen. Ze speelde met me. “Je dacht vast dat die Mesopotamiërs wel wat anders klonken. Je hebt het mis. Nee nee, zo klinkt ze: de mens, of zijn natuur, hoe je het wou noemen. Wie zichzelf nu het liefst wou kruisigen of zich beledigt voelde dat ging er maar van af. Na wat graafwerk kon je het zien. De een zwarte kruiken, de ander verluchte zuilengalerijen. Dat was 't verschil. Maar die klacht, ik was ook verbaasd toen ik hem hoorde klinken, vierduizend jaar oud zeg.”
Een klacht als archeologische vondst. Ze leek er zelf ook verward over. En ik meende dat ze zich aan mij en mijn toestand adresseerde. Nee, ze had een kleitablet gereciteerd en zich zomaar gemengd in mijn toestand. Wat een vreemd voorval. Ze wachtte op een antwoord... Ik reageerde niet... Wel, ik dacht dat ze wel eens kon ophoepelen met die archeologische klacht van haar! Ze begon zich te ergeren aan mijn schijnbare passiviteit.
Die sociofielen verdragen geen stommen. Dat was het probleem. Zolang je die vreselijk onverschillige smoel opzette wilden ze je het liefst maar ergens laten creperen, maar dan zonder te kijken. Je kon dan nog grinniken zoveel je wou.
Hoe was het me ook vergaan! Ik moet ergens eens zonder het te merken een handvol ivoor naar binnen hebben gespeeld. Dan soms hoopte zich dat op in mijn strot of wat nog erger was, in mijn ogen. Dan zagen de mensen dat. Lucy zag het ook. Ze leek het te begrijpen – ze was dan toch geen uit de aarde gewassen steen. Eerder een gedroogde bal gras dat in het water was gerold en daar nu kletsnat en langzaam afdreef.
Op mijn beurt keek in Lucy haar ogen. Ze waren groen, groen als olijven en hadden een glans zacht als olie. Toch leek het ene oog in een grotere hoeveelheid glanzende olie te zijn gewenteld want het was ontegensprekelijk zo dat Lucy scheel keek. Het oog in kwestie was hoger geweest, of dreef langzaam af, in een opwaartse beweging. Ik leek het eerst niet te hebben opgemerkt maar de reflectie in haar ogen was hierdoor asymmetrisch verdeeld geweest. Je kon het maar net zien maar er waren toch drie ovalen lichtvlekjes die de vensters vóór haar in elk oog spiegelden. En die ene rij wees toch meer naar links terwijl je van de andere toch meende dat ze schuin naar boven wees. Ik vroeg me af of ze ook twee verschillende beelden zag op hetzelfde moment, als twee verschillende monitors. De ene toonde een beeld van de baai, de andere een beeld van het service-lampje boven me. Maar dat was een domme vraag. En ze zag dat ik steeds schuiner naar haar zat te kijken. Met een alsmaar groter wordende frons. Lucy zwikte. “Ik ben er niet mee geboren, als je je dat afvraagt. Het is begonnen op een andere vliegtuigreis van me. Toen ik uit het venster keek merkte ik dat mijn zicht in de verte zowel de bossen als stranden onscherp liet. Later, bij het bezoek aan de oogarts was er een onderzoek waarbij de arts mij vroeg een kaart met letters die in alle richtingen stonden te lezen. Ik kocht mij na het onderzoek, aan de balie, zo'n kaart die de naam letterkaart bleek te hebben.
Sindsdien, elke ochtend, als ik me bij het opstaan het onderscheid niet kan maken of ik opnieuw in slaap val of aan het flauwvallen ben, mij vervolgens als geheel in de wereld geworpen voel, net als in de soaps! ga ik op de trap staan en dek met een niet aflatend plezier mijn ene oog af en lees de letterkaart van een afstand van wel zes meter. Uit volle borst begin ik dan te roepen: A-links! A-rechts! Dan met gebaren erbij: A-boven! A-onder! Ik schaalde de kleinste letters nog wat uit tot ze evengoed een wimper hadden kunnen voorstellen en begon opnieuw van boven naar beneden. Eerst uit volle borst en dan, met het grootste genot de allerkleinste letters. Ik weet wat er staat, de variaties had ik bij elke lijn gelijk gelaten. Maar die wimpers, die bekijk ik met de grootste aandacht. In die gekeerde analogie begint de hand die mijn oog afdekt dan te zweten. Of dit er uiteindelijk toe geleid heeft dat mijn ene oog soms langzaam naar boven afdrijft weet ik niet. Net als een baby, stel je voor!” Ik hield me aan mijn voornemen niet te spreken tegen Lucy en keek zomaar wat, nu het vliegtuig bezig was aan zijn wijde bocht, naar de rijen licht die uit de kleine raampjes achter de zetels gleden. Het vliegtuig trilde nu licht, de baai wiegelde mee. Lucy stootte zich opnieuw en slaakte daarbij een kleine schreeuw. Een echt serre-mens had het hier nog benauwt gekregen. Zoveel was zeker.


De hoorns die zich rond de propellers bevonden schreeuwden naar de baai en Lucy was opnieuw beginnen kwebbelen. Wiebelend kwebbelend steeg ze zo op in haar gelatenheid. Ik luisterde niet bepaald: haar stem mengde zich met het geluid van de turbines die onder de fluctuerende turbulentie nu eens meer dan weer minder hard doorklonken. Daar beneden, de zee die tegen de rand van een oude krater had geduwd tot ze een bres had geslagen en deze vervolgens helemaal had gevuld. De zee die het land binnenstroomt, het land die de zee daarbij omarmt. De baai die als een alkoof in de gedachte grens van het land was, en strikt genomen de grens van het land zelf was. Haar diepte leek in zekere zin volkomen willekeurig. Alle graden lagen op haar staart, die je zo de zee in leidde. Je kon uren doorgaan over het gewicht van de een tegenover de andere maar je kwam er niet aan uit. Net twee onafhankelijke doch verstrengelde bruiden. Net als de ogen van Lucy. Het oppervlak van de baai was harder geworden.

Het kwebbelen dat alterneerde met het schreeuwen vormde voor een zeker ogenblik het ornament van mijn aandacht. Daar waar het hout gesneden en goud beschilderd is. Net die limiet-zones die de lijst van de baai vormden.
Ik herinnerde me dat het schild van Achilles op de buitenrand de oceaan had, zorgvuldig door Hephaistos gesmeed. Was er ergens op de rand van het eiland die zich op dat schild toonde een baai te vinden? Niet de baai die naar het toeristische cliché het teken vormde voor het tijdelijke paradijs, evenmin het teken van een met water volgelopen krater als het gedoofde vuur des levens maar deze baai die zich hier op dit moment als een kantelende kom onder mij bevond.
Het zijn de oceanen die in de verbeelding de randen van de gesmede wereld vormen. Want de verbeelding is klassiek overvloedig en grenzeloos. Die arme Homerus, zo blind als een mol. Hadden ze hem niet verteld dat de zee ook de gedachte rand van de zichtbare wereld vormde? Wat men toen meende. Die schijf waar men – in tegenstelling tot het schild – vreesde van te tuimelen. Of hoe kon deze paradox zomaar zijn ontstaan? Is de aandacht niet als een pendant van de verbeelding? Staat het overvloedige van de verbeelding niet haaks op, ondermijnt ze niet, de nauwheid van de aandacht die de zichtbare wereld vormt? Was dat niet de effectieve ruimte die de lijst maakte?


Het was middag geworden en de vloed was komen aanzetten. De ruimte tussen de dubbele blik van de baai was kleiner geworden. Even, toen ik van mijn ovaal naar Lucy haar gezicht keek zag ik dat haar wangen vochtig waren en er nog een paar tranen in de bekken van haar ogen rolden. “Ik weet het, je vindt wat ik je zeg marginaal. Slechts stof voor een gefaald neuroticus op zoek naar de ondiepe gaten van een priem. Waarom zou iemand ook aandacht geven aan een amateur-archeologe als ik. Al even vervelend als duiven op een plein. Overbodig, slechts goed om de stad te vullen. Maar weet je, een duif klinkt alleen in gezelschap van een andere duif. Tweehonderd jaar geleden waren het groene papegaaien die de steden en bossen vulden, in getale net zoals de duif nu. Die papegaaien spreken onophoudelijk en niet eens met elkaar! Stel je voor dat je dakgoot gevuld was met die beesten! Die haast gekloonde stemmen. Bij de mensen waren ze te vergelijken, waarom ook niet, met een groep wilde Elvis-imitators, die geheel verward hun repertoire bijhielden. Zodoende slechts een tekort geschoten echo voortbrachten. Elke vogel kon wel vier mensen voor zijn rekening nemen. En er waren er genoeg om voor elk mens vier vogels te tellen. En dan neem je er de andere geluiden niet bij, zoals andere vogels of dieren, of het kraken van de takken of het ruisen van de zee. Dat konden die ook. Wat een geluid. Maar nu ben ik weer bezig. Laat ook maar. Of... weet je waarom ik daarnet moest huilen?” Ik dacht dat ik dat graag wou weten, dat ik graag naar haar wou luisteren. Maar voor ik dat kon zeggen riep ze: “Kijk! Daar! Die groep vogels vloog zonet onder ons door. Straks vliegt er eentje in de turbines en dan mogen wij het ook wel vergeten! Ze lijken gevaarlijke bewegingen te maken. Zie nu! Daar op het strand lijkt iemand iets naar ze te willen gooien. Nee!”

Vanaf het strand, waar een vissersboot aangemeerd lag, een kleine molen stond en de groep vogels duidelijk kanaries waren vlogen ze hoger dan de wieken van de molen maar onder het vliegtuig in dreigende bewegingen.
Aan de voeten, met de blik waakzaam op de kanaries gericht, zocht een hand naar iets om naar ze toe te werpen. Het eerste viel achter de schouder, te zwaar of te glad. Zoveel kanaries, groene en gele, in de lucht. Een tweede poging. Onder de stijgende opwinding vloog het vanuit de gestrekte arm, raasde en werd al de meer onherkenbaar.
... Van zodra dit eendere voorwerp een acceptabele hoogte had bereikt werd er vanop het land vastgesteld dat dit een immer onbekend vliegend voorwerp betrof. ... En zo verkreeg het eens eendere voorwerp niet veel later zijn voorstelling.
Ach, was er een vogelverschrikker bij geweest – die nogal een gestalte voortbracht, waarvoor sommige kanaries het hazenpad kozen, anderen dan weer onwetend bleven voor zijn aanwezigheid en nog weer anderen toch maar op de schouder van deze schijn-mens kwamen zitten, maar bovenal de kanaries verdeelde en zowel de lucht als het strand van deze dreigende kanarie-formatie ontdeed.

“Ach” zei Lucy. “Ik had er de man bij gewild. De man waarvoor ik zojuist huilde. Vogelliefhebber en kanarie-verzorgend. Die niet enkel de waarschuwing had kunnen bieden en deze aanval zo had kunnen vermijden, teneinde het in de hand genomen voorwerp te beschermen; maar bovenal dit hele schouwspel had ondergebracht. Waar reeds een molen staat, waar een halfopen sloep heeft aangemeerd en desondanks de meertrossen vrij slordig werden afgestopt deze niet meer zou afdrijven. Onderbrengen, waar dan?
Onder de schouw, op een tinglazuren ondergrond. Onder de schouw, waar een tegel onder een stuk geperforeerd papier duchtig met houtskoolpoeder wordt bestrooid. Onder de schouw, waar na het verdwijnen van de wolk houtskoolpoeder de gevormde stippellijnen met blauw worden beschilderd. Waar niet enkel de wandtegels de schouw blauw deden worden, maar ook vazen op later aangebrachte wandsokkels werden ondergebracht. Eerst kleine vazen die meer blauw dan wit waren. Later ook vazen waarvoor kasten werden vervaardigd – die de ramen omtrokken en arcaden in de muren aanbrachten. Waar bevond de tegel zich nu? Achter een haardhek en toonde de molen meertrossen stranden blauw. Het plafond was blank, was er enkel om een koepel op dit geheel te zetten en aanleiding te geven voor de door vazen omgeven laag hangende luster.”


“Dat is de man waarvoor ik zonet huilde! Die mij slechts eenmaal een bezoek heeft gegund. Dat was voor mijn werk als archeologe. Ik kende hem vanwege zijn uitzonderlijke aandacht voor het ornament. Als die dirigerende bewegingen die de aandacht leiden. In zijn een-kamer vertrek, aan het raam, evenwijdig met de vensterbank stond het bed waar de man lag. Het hoofd van de man was kaal en was het enige wat zich onderscheidde van zijn lakens en onderlakens. Hij vertelde me bij mijn aankomst dat er ondertussen vazen verkeerd waren opgesteld en dat er een vaas was binnengebracht die proporties aannam die het nodig achtten het stuk op een sokkel te plaatsen. Ik zag het. De omvang was dusdanig dat ze gebruikt werd om door gebroken of verdwenen stukken aangebrachte gaten in de kasten te camoufleren. Ze was beschildert met een tafereel van vier trekpaarden en een koets waarbij zoveel blauw werd gebruikt dat elke lijn een druppel maakte. De lucht was blauw, de koets was blauw, er waren twee blauwe en twee witte paarden. Het leek nacht, de paarden hadden hun gewrichten met hun pezen als het ware vastgeklikt en stonden onderwijl wat te soezen. De paarden, de koets en de hemel maakten zoveel blauw dat het tafereel haast monochroom werd. Nee, het blauw kon niet zonder het wit en het leek of dit soort blauw steeds gepaard ging met een pittoreske tot pastorale voorstelling.
Hij draaide zijn hoofd opdat alle flanken zichtbaar werden en dacht na over de functie die de trekpaarden toegewezen was. Dat ze als een verlengstuk voor de koets waren. Hij herinnerde zich een enkele uitzondering waarbij de paarden niet in dezelfde richting trokken. Vier verschillende richtingen om hoogverraad te bestraffen en de veroordeelde te splijten. Hij vroeg zich af of het een taak zou zijn om de paarden bijeen te roepen in plaats van de stukken ervan los te snijden. En... Indien er twee veroordeelden zich van dit lot voorzagen, of het een taak zou zijn de paarden te rangschikken. Waarom de paarden en niet de stukken ervan los snijden? Lag de urgentie niet op deze veroordeelde? Waren de paarden nadien niet enkel nog bijkomstig of waren zij diegene die geprezen werden? Bestond er een beroemd paard die beter dan welk paard ook een veroordeelde in vieren kon delen? In de geschiedenis is van de paarden niets terug te vinden. Diegene die hoogverraad hadden gepleegd zijn in de poëzie bezongen, in de filosofie werd hun verhaal exemplarisch behandelt, het plaats delict werd ingekaderd en jaarlijkse ceremonies of herdenkingen werden gecultiveerd. Dit leek hoe dan ook een edele straf maar doet niets af van het waanzinnig morbide schouwspel dat zich op het eigenlijke moment voordeed. Een menselijk lichaam, zou het langzaam scheuren of onder de stijgende spanning plots openspringen? Of het nu met interesse was of niet, je had moeten toekijken want erg bevorderlijk voor de moraal. Was het kijken naar de paarden dan een daad van immoraliteit? Hoe dit dier al zijn spieren balde en het gevoel van strijdvaardigheid tot hoofse moed stemde. Of zou het paard zich min of meer bewust zijn geweest van hetgeen hij op dat moment ten uitvoering moest brengen? Zo toch wat bezorgd hebben gekeken want het werd bovenal door de zweep of onder het opjutten van een ruiter voortgedreven.
Het paard kon een zachte blik hebben, door het zweet damp rond zijn oren hebben, billen waarvoor menig paard het onderspit zou moeten delven, een stuk kleefkruid aan zijn staart hebben hangen dat al duchtig witte bloemen aan het schieten was en dit bovenal meer over de veroordeelde zei, zo nauw in zijn verlengde.
Dan haast, voor hoelang? De damp die om de oren lussen vormde had niets van de pijn die het terechtgestelde lichaam te verduren kreeg, de zachte blik gaf evengoed een onverschilligheid aan het paard, de indrukwekkende billen toonden dan wel de kracht waar het lichaam onderhevig aan was maar waren eerder een gevolg van de vergelijking met andere paarden. Hoe gaf dit nu nog iets te kennen over wat er op dat moment gebeurde? Het gaf geen kennen zoals men zou kunnen zeggen dat de paarden er deze keer wel erg lang over deden. Dat dit misschien wel als de meest pijnlijke doodstraf in de geschiedenis zou kunnen worden genoteerd. Dat bij deze terechtstelling alle toeschouwers zouden worden vereeuwigt omdat zij daar bij waren en dit zo generaties lang verhalen zou kunnen maken en er ergens op een grafschrift te lezen stond: ‘ik heb het grootste lijden aanschouwd'.
Een enkeling nam het paard als bron voor het kennen van de terechtgestelde. De associaties die zich in deze nabijheid voordeden leken oneindig, elk detail dat het paard voortbracht gaf blijk aan datgene waarmee het een causale relatie had, maar kon voor de toeschouwer desondanks slechts voor zijn enkele individu tot mythologie dienen.
Op dat moment hield de man op. De cirkel was rond. Hij was terug op zichzelf uitgekomen en keek mij vanonder zijn lakens met zorgzame ogen aan. Een stenen hoofdje onder de vensterbank glimde door het licht van de luster. Een hol licht dat zijn gelijke vond in die blik die zo ingetrokken was als de mijne op dat moment. Zo kwamen wij dichter bij elkaar. Ik legde mijn hand op zijn lakens. Liefste... schreef een licht in rood tot groene neon, vlak boven het bed. Het was een licht die als de slaap was en dat was hem te veel geworden. Te dicht, dacht hij, en hij vroeg me om weg te gaan.”

Voor een maal kon ik het zeggen, wat ze al de hele tijd had zitten doen met me toen ik naar haar luisterende: zacht likte ze mijn hoofd leeg. Ik wou het luidop zeggen en aan haar adresseren maar durfde niet. Ze zou schrikken. Niet weten of dit als een haast melancholische fetish was of dat ik haar enkel testte. Niettemin had ze het ongepast gevonden. Ik wist ook niet hoe ze zich terwijl ze had gesproken, tegenover mij had verhouden.
Wat wist ik over haar? Ik had naar haar zitten luisteren, ik had alles wat ze mij zonder voorbehoud zou zeggen zomaar opgenomen. En ik had het gevoel alsof ik haar had betaald voor haar woorden. Zoals men de Phoenicische koning Achiram door professionele, speciaal daarvoor betaalde klagers hadden beweend. Deze waren voornamelijk vrouwen geweest, klaagvrouwen, en zaten op de grond in verscheurde kleding met ontblote borsten en loshangend haar. En ik dacht dat de gift die Lucy mij maakte, de beelden die ze bij mij opriep: de paarden, kanaries, blauwe stranden... zonder twijfel hadden bestaan. Ik was zeker dat ze als een aangesloten kamer die niet snel dreigde leeg te lopen waren. In tegenstelling tot de eigen al dan niet spontaan opgewekte, aan een auto-kritisch mechanisme onderhevige verbeelding die de twijfel was. Ja, vast, dat was de volgorde. Daar hoefde men geen pilaarheilige voor te horen om dat te weten.

Nu probeerde ik het ook, ik probeerde zonder te kijken me de baai voor te stellen en liet haar verticaal optrekken, als hing ze tegen een muur. De opening waar de zee binnenstroomde, die de baai van een meer onderscheidde en die eens als de staart van de baai was bevond zich nu bovenaan. Het scherpe ruisen van de zee klonk nu nog als de 'gutterale aanblazingen' die Lucy maakte wanneer ze met haar Brits accent sprak en zei: he. Het strand dat eens de grond voor het schouwspel maakte en een deel van de horizon op de tegel was, dreef nu onderaan als het resterende gruis in een tas koffie.
Maar in tegenstelling tot een vlak beeld kon ik niet stellen dat deze slechts door een kleine helling de verbinding maakte met een volgend plat oppervlak, de muur. Nee, onderhevig aan mijn toestand bleef deze eerder, afhankelijk van de lijn die het vliegtuig trok en zodoende de as vormde waarrond ze zou bewegen, los voor mij uit hangen. Soms dan meende ik dat deze as aanstalten maakte een symmetrie-as te worden, dan weer niet. De spanning tussen de twee oppervlakken bleef, en hoe groter de overlapping tussen deze, hoe dunner de lijst, als overlappende schaduwpartijen. En deze lijst was dun geworden, haast onbestaand. Wat was er gebeurd? Het ornament dat zich eens op de lijst bevond en druk bezet was met florale motieven, was afgesneden. Maar het ornament was in zekere mate slechts gewijzigd. De bloem die, 'van kennis verstoken was, en zo in alle onschuld met haar geslachtsdelen had staan pronken' was niet verdwenen. Ze bevond zich nog steeds aan de rand, tegen de rand, even weelderig, maar net onder het oppervlak. Ja, ze was als koraal geworden en strekte zich uit tot in het centrum van het beeld. Tot het diepste punt van de baai, waar ze evengoed kleiner in aantal en met stof bedekt was, verdeelde ze de door fotosynthese gekleurde biotoop dat zich vanonder het oppervlak tot ver in het beeld getrokken had. Maar ze bezat die ene onfortuinlijke eigenschap die haar met zekerheid onderscheidde van het ornament dat eens zo strikt op de rand werd gehouden. Door het water was het beeld opgeblazen, het was tot een vijfde groter geweest. Relatief kon je zeggen dat je van al hetgeen je daar zag een kleine centimeter van de rand zou moeten afsnijden. Je kon van dit opgeblazen beeld de werkelijke grote dan wel achterhalen door het boven water te halen, maar je kon haar toch niet op het water zetten?... Er was nog meer van doen met deze koraalesthetiek maar voor nu was ik zeker dat de nieuwe randen van het beeld opgeblazen waren en dat het ornament van onder het oppervlak in het beeld verzakt was.


In haar gekantelde opstelling aan het blikveld verwant – die bij voorkeur gedacht wordt met de blik rechtop – was de baai het negatief van de lijst geworden. Met het ornament op haar randen geïmplodeerd bleef het ontegensprekelijk zo dat haar oppervlak leeg bleef en hetgeen zich voordeed buiten haar lijst afspeelde. Of de voorstelling bleek de zichtbare randen te vormen. Want zie nu, daar, onder dat bladerdek! Daar bevond zich een kleine schare mannen en vrouwen en ze lieten zich in een haast archeologisch geworden taal een toestand toeschrijven.

Onder het bladerdek: Een hij bevindt zich in een kamer, deelt deze met anderen, een van die anderen is een spreker of dé spreker en hij kijkt om zich heen met een lange hals. De lengte van die hals komt hem voor als net voldoende, als was de afstand optimaal om zijn gedachten de tijd te geven om omhoog te stijgen van hart naar hoofd en gewogen en overwogen te worden. Onze hij bevindt zich in een ervaring gevoed te worden door wijsheid, met de hals als 'een distilleerkolf van subtiele kennis, een instrument dat de kern van de dingen druppel voor druppel overbrengt'.
Een aantal dagen later bevindt deze zich opnieuw in deze kamer, zijn de anderen opnieuw aanwezig en verkeert hij in de waan nog steeds over een hals met de geschikte lengte te beschikken. Alleen, de configuratie van de aanwezigen is gewijzigd. De spreker heeft nu enkel nog de muur in zijn rug, achter zijn rug bevindt zich niemand. Deze spreekt luider als was hij zich reeds bewust van zijn dirigerende gebaren. Hoewel, het was nog voor deze werkelijk begon te spreken dat de anderen hun positie hadden ingenomen: Twee arcaden gevormd door alle aanwezige vrouwen hadden zich in zijn flanken ontwikkeld. Deze keken, als verluchte zuilengalerijen, onverstoord de spreker aan, met de knieën symmetrisch en het hoofd schuin. Waren er dan geen mannen onder de aanwezigen? Toch wel, deze sloten de vrijgekomen ruimte recht voor de spreker, die kleiner was dan de lengte die de arcaden hadden aangenomen en de mannen zagen zich genoodzaakt zich in lagen op te stellen, van laag naar hoog en allengs de vorm van een tribune toe te passen. De hals van onze goede mens werd eindeloos lang en lag sindsdien duizend maal in zichzelf toegevouwen.
Het was een esthetiek als die van een fascisme zonder militarisme, als dat van het oude Egypte. Het beeld van een sfinx had zich over de spreker ontfermt. Het was dan ook vanaf dit moment dat de hij de naam van deze spreker het voorvoegsel Sfinx- zou meegeven.

De beschreven hals van deze hij die zich onder het bladerdek bevond deed hem onzinnig worden. En hoezeer deze ook probeerde dit beeld te transporteren, de kop in te drukken, zwikte het niet. hij ontwikkelde hier neuroses voor, testte het beeld op zijn weerbaarheid tegen onverschilligheid, primitieve spanningen zoals verwaarlozing en excitatie, onderwierp het aan rigiditeit, toch gelukte het hem niet zekerheid te winnen over wat zich zojuist had voorgedaan of nog meer: dit beeld teniet te doen. Was hij de enige aan wie zich deze transfiguratie had voorgedaan? Was deze spreker de sfinx geworden, en had de sfinx bijgevolg gesproken? Was het, zoals sommigen meenden, hij die de sfinx vragen had gesteld? Maar zelfs indien ze gesproken had was hij te afgeleid geweest met dit op hem geprojecteerde beeld. Dat beeld dat door de beschreven toestand kwam opzetten. Als gooide iemand een voorwerp waarbij deze het lichaam zo torste dat het beeld van 'de discuswerper' de gehele situatie even mummificeert, het beeld niet meer kan worden ontdaan, verbrand is en vanaf dat ogenblik een gefascineerd, onzinnig wezen voortbracht.
Hoe kon deze nog communiceren? Was er nog slechts een ongunstige communicatie met deze mogelijk? Was er nog slechts gesproken rook? Een taal die in grijs tot blauwe slierten vanuit de keelholte opsteeg? Die slechts de geest raakte als een bezwering, zonder grond zou blijven en nog het meest van al, en dat was het hypocriete van de zaak, gevangen zou blijven? Als een roze wolk die onder de tweeduizend meter en zonder merkbare wind bleef.
Een bezwering als zou ik spreken: de bewustwording van de aandacht betekent het beeld van de baai. Denk: de associatie baai lijst baai aandacht. Met de opening bovenaan, het glas in het venster is het reliëf van het zeeoppervlak. (Labiaal fluitende klanken verlengen de aanblazingen die Lucy maakte?) Het gruis onderin maakt de ogen zwaar. Het bewust worden van de aandacht betekent het beeld van de baai.
Nee. 'Elk zijn baai' was als het hypocriete mantra van de sociëteit geworden. Het punt waarop ze overging tot gesproken rook stegen de vormen op waarop ze gingen dementeren en slechts zwijgend aan het oppervlak kwamen. Zoveel was zeker, en ik voelde een steeds groter wordend verlangen om tegen Lucy te spreken.

Toen ik mij keerde, de baai niettemin in de rug van de stoel voor mij gebrand bleef, voelde ik dat er iets niet klopte. Lucy was weg. Zij had haar monoloog gevoerd, de mijne was innerlijk gebleven. Ze was zelf ook stil gebleven nadat ze de man onder de lakens beschreven had en elke onmiddellijke reactie was bij ons beiden verdreven geweest. Wanneer was ze weggegaan? Al van bij het begin? Toen de baai gekanteld werd? Toen ik onder het oppervlak op zoek was gegaan naar koraal? Of in het negatief van de lijst via een dubbele punt onder het bladerdek gekeken had en vanwege het conflict met de rook met haar wou spreken? Had ze ergens kort daarvoor de benen genomen? Was zij ontzet geweest door haar verdriet? Ik wist niets over haar en ik betwijfelde of mijn beschrijving van haar voldoende was geweest om een opsporingsbericht te kunnen laten opmaken. Ik miste haar. Het idee dat ze slechts naast een andere passagier van het vliegtuig was gaan zitten hielp niet. Ze kon evengoed een minnaar hebben gehad die als een eenhoorn in haar schoot rustte.
(disobligeant, chaise – chaise longue?) En in de gedachte aan deze onbekende schreef ik op de kaart met veiligheidsinstructies, in het engels, wat ze hopelijk beter zou horen:

Of good fortune a man must be,
for whom she leaves,
so urgently.



Niet vanuit een gedachte maar vanuit een toestand die werd opgewekt door een beeld, in het besluit dat Lucy plots afwezig was – niet vanuit een verlies maar vanuit een gebrek, had ik me uiteindelijk aan haar geadresseerd. Het inwendige discours opgewekt door mijn onwetendheid ten opzichte van Lucy had zich bij het uitwendig worden gevormd in haar afwezigheid en een onvoorziene hardheid verkregen.
Ik was onderhevig geweest aan een lichte jaloezie. Dat gebied dat zich net voorbij de angst bevond, de haat voorafging en een banaliteit die men het liefst zou verwerpen in zich droeg. In een taal die alsmaar formeler werd liet de drie-eenheid die de jaloezie vormde zich omschrijven als het haast algebraïsche driespan van conflicten in de micro-sociale leefeenheid. Hoewel, niet de naam, wel de eigenschappen beschreven hetgeen zojuist had plaatsgevonden. De respons, of die nu verwacht werd nog voor ik die kon geven of deze me door Lucy haar afwezigheid ontnomen werd, was gebrekkig geweest en had deze kleine, rijmende schreeuw teweeggebracht. Het geweld die de hoorns aan weerszijden van het vliegtuig maakten was zodoende in het vliegtuig getrokken en het duurde niet lang meer wanneer de baai in een akkoord sloeg, deze op haar beurt een kreet slaakte en de lijst die voor de gelegenheid als stembanden waren haar deed trillen.

Ja, ik had me al die tijd als een jonge specht in het oppervlak van de baai geboord, en nu de lijst trilde voelde ik haar rond mijn hoofd als een kring. Ja, een kring, die blanke, subversieve kring die zich rond de aandacht spant.
Zo was haar conditie. Deze kring was als een sleeptouw in dienst van het geheugen maar in wezen slechts een ijle boodschapper want ik kon niet anders dan zeggen 'mijn geheugen heeft anorexia'.
Niettemin – net als de lijst was haar ruimte, los van haar toegetakelde partner, als een toegevoegde ruimte. De lijst die in het kruisen van twee bliklijnen, als de geest die scheel kijkt was gevormd. Als een ruimte die leeg bleef en een ruimte die toegevoegd was, zo was ook deze kring.
Deze tweevoudige ruimte was uitzonderlijk. Ik, als specht, had er kuiltjes in aangebracht en deze ruimte zag zich zodoende nog meer verdeeld. Als kleine alkoven waarbinnen men met een verticale concentratie als die van een glazenwasser door een lege ruimte en een ruimte als een surplus werd geflankeerd.
Er leek een verschil te zijn ontstaan met wat men in de terminologie van de lijst het ornament van de aandacht noemde. Het register was verschoven, misschien wel beschadigd. Het affectief reliëf was gekarteld geweest, de werkwijze amateuristisch – je neemt de eigenschappen van een conflictueus ding en trekt ze op tot een vormelijk spel. Een virtuele taal nog voor die noodzakelijk was achternazitten.
Was het paard dat via Lucy was beschreven van het soort waarop de Don Quichot voorbij kwam gelopen? In dit verhaal gewijzigd, als voor de gelegenheid van zijn komst in de zogenoemde post-moderne steden door een blauw paard vervangen? Of waren de eigenschappen van het finaal uitgesproken karakter van de rand van de aandacht te verdedigen als een netwerk van betrekkingen voor een eigen vermogen tot bepaling, die wel idiosyncratisch is maar de retraite op zijn minst uitstelt? Het gevaar dreigde onverbiddelijk dat je achter op dat blauwe paard vloog. Verdomd. Pas wanneer deze ruimte naar binnen keerde en deze lege en toegevoegde ruimte over elkaar schoven – zodoende een lege toegevoegde of een toegevoegde lege ruimte vormden – het volledige oppervlak bedekten en als een bel op de baai stonden heette dit: spektakel en werd een enkel oog conform gevormd. Door het verdwijnen van de lijst als kring waren de beelden van achter deze bel onder toedoen van een schitterende drijvende reflectie haast verdwenen. Net als haar subversiviteit. Doch, hoewel de lijst rond mijn hoofd knipperde vanwege haar aandeel in de schreeuw van de baai, behield ze haar opening.
...en zo spetterde dit nog een tijd. Lucy had na haar vertrek een rinkelend wit sentiment achtergelaten...
Verdomd, het was begonnen vanwege dit hok. Deze coupé gevuld met halfdroge bellen: babbelschuim. Het geluid van het kraken verkreeg verzamelt het hoogste volume. Deze zwijgzame coupé... met de ziel van de meteorologische waarneming als de anesthesist van het in zich vertegenwoordigde publieke leven. (een sentimenteel empirisme) Verdomd, ik scheurde uit een of ander tijdschrift een volledig blauwe pagina en het kon me niet schelen of dit blauw iets met dat paard van doen had. Ik hield het bij en las bij wijze van bevestiging nog een keer een briefje dat ik daarnet voor Lucy schreef.

this servants' slot
pushed over
bend over
now give me back that axis!
...spreading my quilt
give it back I tell you!

in ten minutes...! / alone / &tc. br please
only five left
and the sticky garden
undeep holes in its skin
its faulty hedges
...pushing my hand on this quilt
-talk me to its borders
stiching your head to my ear

Ik verfrommelde het en gooide het onder mijn stoel. Ik bleef een tijd op die hoogte.

Druk in het park! ... Voor me twee paar sandalen verstrengeld wachtend op het droog-buffet. Verder evenveel benen als schaduw. Op het kortharig donkergroen tapijt aangevuld met verloren voorwerpen. Pillen, speelkaarten, aan de overkant van de gang een krant die ik nog net kon lezen. Een lid van de bemanning – die allen een donkere broek met een groen met goud geborduurde naad hadden – stapte voorbij. Het paste opvallend goed bij het tapijt. De kop van de krant schreef: Eindelijk?. Vlak daaronder een foto van een man die fier naast een huis stond. Het artikel vertelde over deze man, die een strandjutter was maar gezien het uitblijven van óf een massa toeristen óf een storm – die met elkaar gemeen hadden dat ze beiden voor de strandjutter waardevolle voorwerpen van ver meebrachten – al enige tijd thuis bleef en in principe technisch werkloos was. Er was niettemin een vrij druk verkeer voor zijn huis en hij had uit zijn raam zitten wachten op een accident. Klaar, met schrift en pen binnen handbereik. Want hij was er van overtuigd dat een vergissing niet lang meer op zich kon wachten, zo hij de verkeersstroom bestudeerde. Hij had een tweede boekje waar hij dagelijks een aantal voorspellingen maakte in de lijn van het verkeer van die dag. Maar vandaag kon hij dit dagboek dat op de feiten vooruit liep aan de kant houden want er was voor het eerst een klein fietsongeval geweest. De fietser van links had die van rechts niet goed ingeschat, ze waren op elkaar ingereden en hoewel de ene volledige over de kop was gegaan bleven ze beiden ongedeerd. Dat was zowat de inhoud van het artikel. Ik kwam wat uit mijn positie. Daar lag een kleine plas wijn die de passagier onder het nummer C-10 schuin hield.
Ik hing het blauwe blad onder mijn lip en begon door de gang te kruipen. Het licht kwam uit het noord-westen dus kon ik opmaken dat ik noordelijk aan het kruipen was. Een poedel keek me aan. Onverstoord bereikte ik het kamertje van de bemanning. De deur stond op een kier. Ze waren de koffie en thee aan het voorbereiden. Het geluid: stemmen, thee, plastiek. Ik nam mijn blauw blad en hield het tegen de aangrenzende wand. Een plooi gevormd door het blauw papier en de witte wand van industrieel kunststof. Ik nam het been van een van de bemanningsleden vast aan de zwarte broek met groen en gouden naad en sleepte ze uit de kier. Vervolgens spalkte ik het ongemerkt. Ik zette de kier op de gewenste positie, het volume regelend, hield het mat blauwe blad in mijn ene hand met de rand tegen de bleke muur en plaatste het gespalkte been met de kuit naar boven diagonaal voor het geheel. Ik keek er enige tijd naar en zag er tevreden datgene in wat zich liet omschrijven als 'een potentieel tijdelijk verblijf'.